Auteur van deze pagina: Kirsten van den Heuij en Soraya Hoegee
0. Praktische informatie voor taalonderzoek
Mogelijke problemen in het Nederlands als gevolg van transfer
Het Zweeds verschilt in een aantal opzichten van het Nederlands op zodanige wijze dat er problemen kunnen ontstaan op het gebied van fonologie, morfologie, syntaxis, semantiek en pragmatiek als gevolg van transfer. Als u onderstaande problemen constateert bij een jonge leerder van het Nederlands met het Japans als moedertaal, hoeft dat dus niet per se te wijzen op een taalontwikkelingsstoornis.
Fonologie Uitspraak Het Zweeds kent een muzikaal accent, omdat de beklemtoonde lettergreep niet altijd de hoogste toon heeft.
Morfologie Lidwoorden Het Zweeds heeft twee vormen van het onbepaald lidwoord, een voorvoegsel voor het onzijdig zelfstandig naamwoord en een voorvoegsel voor het niet-onzijdig zelfstandig naamwoord. Daarnaast worden er ook twee verschillende bepaalde lidwoorden gebruikt voor niet-onzijdig en onzijdig zelfstandige naamwoorden. In het Nederlands zetten we de lidwoorden voor het zelfstandig naamwoord, maar in het Zweeds verschilt dit voor bepaalde en onbepaalde lidwoorden.
Naamwoorden Er hoeft geen achtervoegsel te zijn bij naamwoorden in het Zweeds om een meervoud te kunnen vormen. Dit is afhankelijk van het geslacht en de laatste letter van het zelfstandig naamwoord.
Werkwoorden De werkwoordsvervoeging van het Zweeds kent enkel een tijdsmarkering. Er is geen overeenkomst met het onderwerp.
Syntaxis Het Zweeds heeft dezelfde woordvolgorde als wij die kennen, namelijk SVO. Normaal gesproken zou een Zweeds kind dus geen moeite met de woordvolgorde in het Nederlands moeten hebben.
Vragenlijst in relatie tot problemen in het Nederlands. Wanneer hier vaak 'ja' op wordt geantwoord, is er mogelijk sprake van negatieve transfer vanuit het Zweeds.
Fonologie
Heeft het kind moeite met de toonhoogte van woorden?
Morfologie
Ontstaan er moeilijkheden bij de complexe werkwoordsvervoeging? Gebruikt het kind enkel tijdsmarkering, maar geen overeenkomst met het onderwerp?
Syntaxis
Worden hogergeplaatsten aangesproken met jij in plaats van u?
Mogelijke vragen aan ouders/tolken met betrekking tot specifieke TOS-elementen
Om u behulpzaam te zijn bij het onderscheiden van geproduceerde fouten in het Nederlands naar mogelijke oorzaak, is onderstaande vragenlijst per talig kenmerk (fonologie, morfologie, syntaxis en pragmatiek) opgesteld. Voorzichtigheid bij de analyse van taalproducties aan de hand van deze vragenlijst is geboden; de vragen vormen slechts een leidraad om NT2-fouten globaal van TOS-fouten te onderscheiden. De verkregen informatie dient als eerste indicatie voor de aanwezigheid van een taalontwikkelingsstoornis. Vragenlijst in relatie tot problemen in het Zweeds. Wanneer hier vaak 'ja' op wordt geantwoord, is er mogelijk sprake van een TOS.
Fonologie
Heeft het kind in het Zweeds moeite met het produceren van bepaalde klanken, terwijl dat niet meer verwacht wordt op zijn of haar leeftijd?
Morfologie
Heeft het kind problemen met het vervoegen van werkwoorden? Vindt het kind het gebruik van hulpwerkwoorden in de tegenwoordige tijd lastig?
Heeft het kind moeite met het kiezen van een werkwoord dat de plaatsing van een object weergeeft?
Worden lidwoorden niet op de correcte manier gebruikt of zelfs vergeten?
Syntaxis
Heeft het kind moeite met woordvolgorde in het Zweeds?
Pragmatiek
Maakt het kind weinig oogcontact, is het verminderd wederkerig en heeft het zwakke communicatieve vaardigheden in de moedertaal?
1. Algemene informatie over het Zweeds
Het Zweeds behoort samen met het Deens, Noors, Faerӧers en IJslands tot de Noord-Germaanse talen, die een vertakking zijn van de Indo-Europese taalfamilie. Het Zweeds wordt in Zweden gesproken, maar het is ook één van de twee officiële talen in Finland. Op de eilandengroep Åland, gelegen tussen Zweden en Finland, is het Zweeds de enige officiële taal - hoewel het een provincie van Finland is.
Het officiële Zweeds wordt het Rijkszweeds (Zweeds: rikssvenska) genoemd. Naast het Rijkszweeds worden ook verschillende dialecten gesproken. Er heeft tussen 1998 en 2003 een grootschalig taalkundig onderzoek plaatsgevonden om de dialectvariatie in Zweden en de Zweeds sprekende delen van Finland in kaart te brengen. Volgens dit onderzoek zijn er 29 dialecten in Zweden, die te verdelen zijn in 4 dialectstreken: Gotland (regio zuid-Zweden), Svealand (regio midden-Zweden), Norrland (regio noord-Zweden) en Finland (Finland en de eilandengroep Åland). Het Zweeds zoals het gesproken wordt in Finland, wordt ook het finlandssvenska (Finland-Zweeds) genoemd. Het Zweeds in die regio bevat veel Finse leenwoorden.
De Zweedse taal wordt geschreven met het Latijnse alfabet, maar na de letter 'z' heeft het een toevoeging van drie tekens: å, ä en ö. Deze worden respectievelijk uitgesproken als [ɔ:], [ɛ:] en [ø]. De geschreven taal toont redelijk veel overeenkomsten met de gesproken taal wat betreft de klanktekenkoppeling. Er zijn echter enkele opvallende uitzonderingen: de letter 'v' wordt uitgesproken als een Nederlandse 'w' en de letter 'o' kan op verschillende manieren worden uitgesproken. In de meeste gevallen wordt deze uitgesproken als [u], maar soms ook als [ɔ].
2. Taalspecifieke kenmerken van het Zweeds
Fonologie
Kenmerkend voor het Zweeds is het zogenaamde muzikale accent. Dit komt omdat in het Zweeds – in tegenstelling tot het Nederlands – de beklemtoonde lettergreep in een woord niet altijd de hoogste toon heeft. Het Zweedse alfabet kent negen klinkers en twintig medeklinkers, maar de letters 'q', 'w' en 'z' komen eigenlijk enkel nog voor in eigennamen en enkele leenwoorden. De 'y' heeft een klank die in het Nederlands niet bestaat, deze ligt tussen de Nederlandse [i:] en [y] in.
Morfologie
Het Zweeds heeft, net als het Nederlands, twee geslachten voor zelfstandig naamwoorden. Namelijk niet-onzijdige zelfstandig naamwoorden (in het Nederlands ‘de’-woorden) en onzijdige zelfstandig naamwoorden (in het Nederlands ‘het'-woorden). Voor beide geslachten heeft het Nederlands één onbepaald lidwoord, namelijk ‘een’. Het Zweeds daarentegen heeft twee vormen van het onbepaald lidwoord, namelijk het voorvoegsel en- voor niet-onzijdige zelfstandig naamwoorden en het voorvoegsel ett- voor onzijdige zelfstandig naamwoorden. Het bepaald lidwoord wordt weergegeven met het achtervoegsel -en voor niet-onzijdige zelfstandig naamwoorden en met het achtervoegsel -et voor onzijdige zelfstandig naamwoorden.
Onbepaald lidwoord
Bepaald lidwoord
Nederlands
Zweeds
Nederlands
Zweeds
Niet-onzijdig zelfstandig naamwoord
een bal
en boll
de bal
bollen[1]
Onzijdig zelfstandig naamwoord
een kind
ett barn
het kind
Barnet
[1] De -e- komt te vervallen wanneer het zelfstandig naamwoord eindigt op een klinker, -er of -el.
Het vormen van meervoud is eveneens gekoppeld aan het geslacht van het zelfstandig naamwoord. Voor de niet-onzijdige zelfstandige naamwoorden (de Zweedse ‘en'-woorden) wordt het meervoud gevormd door het achtervoegsel -or, -ar, -er of geen achtervoegsel. Voor onzijdige zelfstandig naamwoorden (de Zweeds ‘ett-woorden’) die eindigen op een klinker, wordt het meervoud gevormd door het achtervoegsel –n. Indien het zelfstandig naamwoord eindigt op een medeklinker, dan is er geen achtervoegsel.
De werkwoordsvervoeging in het Zweeds is minder complex dan in menig andere taal. In de werkwoordsvervoeging is namelijk enkel een tijdsmarkering terug te vinden, maar geen overeenkomst met het onderwerp. In de tegenwoordige tijd wordt het achtervoegsel -r, of in enkele gevallen -er aan het werkwoord toegevoegd. Dit geldt voor alle onderwerpsvormen. Er wordt geen onderscheid gemaakt tussen de 1e, 2e of 3e persoon wat betreft achtervoegsel. In de verleden tijd wordt het achtervoegsel -de, of in enkele gevallen -te aan het werkwoord toegevoegd. Dit geldt wederom voor alle onderwerpsvormen. Er is ook een groep onregelmatige werkwoorden: deze groep heeft een vervoeging die niet tot regels te herleiden is, maar wel weer voor alle onderwerpsvormen gelijk is.
Syntaxis
De woordvolgorde in het Zweeds is gelijk aan die van het Nederlands. Een hoofdzin wordt in het Zweeds begonnen met het onderwerp, gevolgd door het werkwoord en daarna het object van de zin. Als een zin niet met het onderwerp begint, dan staat het onderwerp achter de persoonsvorm. Dit inversiepatroon is gelijk aan dat van het Nederlands.
Tot de jaren ’60 van de vorige eeuw golden er in Zweden zeer strikte regels over de ‘u-vorm’ waarin een hogergeplaatste moest worden aangesproken. De aanspreek titel bestond uit meneer of mevrouw, gevolgd door de maatschappelijke titel en de achternaam. Maar in 1967 is daar plots verandering in gekomen, toen de directeur-generaal Volksgezondheid de mensen opriep om elkaar met de voornamen en jij aan te spreken. Vanaf dat moment is het tutoyeren heel gebruikelijk geworden en worden ook hogergeplaatsten met jij aangesproken. Dit zal niet tot hele grote problemen leiden in het Nederlands, maar het is goed om te weten dat het tutoyeren van iemand niet respectloos bedoeld is.
Samengestelde zinnen Bij een nevenschikking, waarbij twee hoofdzinnen worden verbonden, worden in het Zweeds ook nevenschikkende voegwoorden gebruikt. Veelvoorkomende voegwoorden zijn: och/samt (en), eller (of), men (maar) en för (want).
Bij een onderschikking worden één of meerdere bijzinnen verbonden met een hoofdzin. De hoofdzin is dan onafhankelijk en de bijzin afhankelijk, want deze kan niet los staan van de hoofdzin. In het Zweeds worden hiervoor, net als in het Nederlands, onderschikkende voegwoorden gebruikt. De woordvolgorde van de bijzin is SV. Een ontkenning (‘inte’) komt na de persoonsvorm, maar voor het hele werkwoord. Voorbeelden van onderschikkende voegwoorden zijn ‘när’(wanneer), ‘medan’ (terwijl), ‘även om’ (hoewel) en ‘eftersom’ (omdat). Bij relatieve bijzinnen wordt het betrekkelijke voornaamwoord ‘som’ (dat/wie/welke) gebruikt. Dit voornaamwoord kan niet veranderen op basis van aantal, case en of het een persoon of een ding is. Vilken kan ook als betrekkelijk voornaamwoorden worden gebruikt, en is wel variabel. Dit kan gebruikt worden bij verwijzing naar ene hele zin, maar wordt alleen bij formeel taalgebruik toegepast.
3. Verwervingsfases
In de wetenschappelijke literatuur zijn geen bijzonderheden gevonden met betrekking tot de eerste taalverwerving in het Zweeds. Het is dus aan te nemen dat de taalverwerving verloopt zoals aangegeven in het verwervingsschema.
4. Specifieke taalstoornissen in het Zweeds
Het is bekend dat kinderen met een taalstoornis langer infinitieven blijven gebruiken dan normaal ontwikkelende kinderen (extended optional infinitve). Zij gebruiken dan een infinitief terwijl het werkwoord eigenlijk vervoegd en in overeenstemming gebracht zou moeten worden met het onderwerp en/of de tijd. In het Zweeds is er geen overeenstemming tussen het onderwerp in de zin en het werkwoord, er is enkel tijdsmarkering. Uit onderzoek van Hansson en Nettelbladt (2000) bleek dat Zweedse kinderen met een taalstoornis, in vergelijking tot normaal ontwikkelende kinderen met een gelijke MLU (mean length of utterance), meer fouten maken in het gebruik van hulpwerkwoorden in de tegenwoordige tijd en werkwoordsvervoegingen in de regelmatige verleden tijd. Fouten gerelateerd aan woordvolgorde kwamen eveneens vaker voor bij kinderen met een taalstoornis dan bij de normaal ontwikkelende kinderen.
Wat betreft de werkwoordsvervoeging van de tegenwoordige tijd en de onregelmatige verleden tijd, was er geen verschil tussen kinderen met een taalstoornis en normaal ontwikkelende kinderen met een gelijke MLU. Het onderzoek van Hansson en Leonard (2003) sloot hier nauw op aan. Zij hadden namelijk in hun onderzoek een meer gedetailleerde analyse gedaan van werkwoordsmorfologie van Zweedse kinderen met een taalstoornis. Uit hun bevindingen bleek dat Zweedse kinderen met een taalstoornis, in vergelijking tot normaal ontwikkelende kinderen met een gelijke MLU, een grotere achterstand vertonen op het gebruik van regelmatige verleden tijdsvormen, dan op vervoegingen in de tegenwoordige tijd. Volgens de processability theory (Piennemann, 1998) is het zo dat in het taalverwervingsproces van kinderen zij eerst leren om een werkwoord in de juiste tijd te vervoegen, en dat zij daarna leren dat het werkwoord na het onderwerp in de zin moet worden geplaatst (V2 of Verb Second). In het onderzoek van Håkansson (2001) werd deze theorie getoetst samen met de aanname dat deze volgorde voor alle kinderen geldt. In het onderzoek werd een onderscheid gemaakt tussen drie groepen kinderen, namelijk: kinderen die het Zweeds als eerste taal leren, kinderen die het Zweeds als tweede taal leren en kinderen met een taalstoornis. Zij vonden in hun onderzoek geen bewijs voor de verwervingsvolgorde ‘eerst tijd dan plaats’ en concluderen dat het in het Zweeds mogelijk is om deze twee processen los van elkaar te verwerven. Deze bevinding geldt voor alle groepen die in het onderzoek onderzocht zijn. Bij nadere bestudering van de groep resultaten komen zij tot de conclusie dat kinderen die het Zweeds als eerste taal leren beter scoren dan de andere twee groepen op het correct vervoegen en plaatsen van het werkwoord. De groep kinderen die het Zweeds als tweede taal leert en de groep kinderen met een taalstoornis scoren gelijk.
Een onderzoek van Hansson en Bruce (2002) richtte zich op de werkwoorden die een plaatsing aangeven (in het Nederlands werkwoorden als: zetten, leggen, zitten, hangen). Zij komen tot de conclusie dat Zweedse kinderen met een taalstoornis in een productietaak meer moeite hebben met het kiezen van het juiste werkwoord om een plaatsing van een object aan te geven, dan normaal ontwikkelende kinderen met eenzelfde taalleeftijd. Dit werd niet beter naarmate zij ouder werden. Wat betreft woordbegripstaken is er geen verschil gevonden tussen kinderen met een taalstoornis en normaal ontwikkelende kinderen met eenzelfde taalleeftijd.
Een ander interessant onderzoek met betrekking tot het Zweeds en kinderen met een taalstoornis is van Hansson, Nettelbladt en Leonard (2003). Zij hebben onderzoek gedaan naar het gebruik van onbepaalde lidwoorden en het suffix van bepaalde lidwoorden bij Zweedse kinderen met een taalstoornis en normaal ontwikkelende kinderen met eenzelfde taalleeftijd. In het Zweeds is het onbepaalde lidwoord niet beklemtoond en kort, net als de lidwoorden in het Engels en Nederlands. Het bepaalde lidwoord is een achtervoegsel van het zelfstandig naamwoord. Uit de resultaten van het onderzoek blijkt dat kinderen met een taalstoornis het achtervoegsel van het bepaalde lidwoord even goed gebruiken als normaal ontwikkelde kinderen met eenzelfde taalleeftijd, maar wat betreft de onbepaalde lidwoorden wordt er wel een opvallend verschil gevonden: deze worden namelijk vaker weggelaten door kinderen met een taalstoornis. De verklaring die zij hiervoor geven is de prosodie van deze lidwoorden. Bij het suffix van het bepaalde lidwoord wordt een beklemtoonde klank gevold door een niet beklemtoonde klank, terwijl dat bij het onbepaalde lidwoord andersom is. Volgens de onderzoekers is dat de reden voor het feit dat het toepassen van het bepaalde lidwoord beter lukt bij kinderen met een taalstoornis dan het onbepaalde lidwoord, en spelen grammaticale factoren hierbij geen rol.
Uit Zweeds onderzoek blijkt verder dat geslacht en mogelijk ook erfelijke factoren in interactie met omgevingsfactoren een risicofactor zijn voor een taalstoornis (Salameh, Nettelbladt & Gullberg, 2002). Aan dit onderzoek hebben 698 eentalige en tweetalige kinderen deelgenomen en de onderzoekers concluderen onder andere dat een taalstoornis vaker voorkomt bij jongens dan bij meisjes.
Voorbeelduitingen
Onderstaand twee voorbeelden van zinsvolgorde-fouten die zweedsprekende kinderen met een TOS maakten (gemiddelde leeftijd tussen de 4;3 en 5;7).
In 9 en 11 de doeluitingen, in 10 en 12 de TOS-uitingen.
Bron: Leonard, Hansson, Nettelbladt en Deevy (2004)
5. Slotopmerkingen en literatuurverwijzingen
Het Zweeds kent, anders dan het Nederlands, twee onbepaalde lidwoorden en deze worden vóór het zelfstandig naamwoord geplaatst (een prefix). De twee bepaalde lidwoorden daarentegen worden als suffix achter het zelfstandig naamwoord geplaatst. Het vormen van meervoud kan in het Zweeds zonder dat er een achtervoegsel of verandering in het zelfstandig naamwoord plaatsvindt. Dit is in het Nederlands niet mogelijk. In de Zweedse werkwoordsvervoeging is geen overkomst met het onderwerp terug te zien, maar alleen tijdsmarkering. Er zijn veel Zweedse onderzoeken op het gebied van taalstoornissen. De bovengenoemde onderzoeken komen tot de volgende conclusies met betrekking tot Zweedse kinderen met een taalstoornis:
Zij ondervinden problemen met hulpwerkwoorden in de tegenwoordige tijd;
Zij ondervinden problemen met de regelmatige verleden tijd;
Zij ondervinden problemen met de woordvolgorde;
In productietaken maken zij meer fouten in het kiezen van het juiste werkwoord dat een plaatsing weergeeft (leggen, zetten, etc.);
Zij laten onbepaalde lidwoorden vaker weg dan bepaalde lidwoorden;
De verwervingsvolgorde ‘eerst plaats dan tijd’ geldt niet voor deze kinderen.
Alle onderzoeken zijn uitgevoerd in vergelijking met normaal ontwikkelende kinderen die een vergelijkbare taalleeftijd hebben.
Voor wie meer wil lezen over het Zweeds:
Dorren, G. (2011). De taal van de noorderburen. Drie verwante talen gaan hun eigen weg, het hedendaagse Zweeds, Noors en Deens. Onze Taal,10, 260-263.
Eriksson, A. (2004). SweDia 2000: A Swedish dialect database. In P. J. Henrichsen (Red.), Babylonian confusion resolved.Proc. Nordic symposium on the comparison of spoken languages. Copenhagen working papers in LSP 1 (pp. 33–48).
Holmes, P., & Hinchliffe, I. (2008). Swedish: An essential grammar. Psychology Press. (p175-176, 200).
Håkansson, G., & Hansson, K. (2000). Comprehension and production of relative clauses: a comparison between Swedish impaired and unimpaired children. Journal of child language, 27(2), 313-333.
Håkansson, G. (2001). Tense morphology and verb-second in Swedish L1 children, L2 children and children with SLI. Bilingualism: Language and Cognition, 4, 85-99.
Hansson, K., & Bruce, B. (2002). Verbs of placement in Swedish children with SLI. International Journal of Language & Communication Disorders, 37, 401–414.
Hansson, K., & Leonard, L. (2003). The use and productivity of verb morphology in specific language impairment: an examination of Swedish. Linguistics,41, 351-379.
Hansson, K., & Nettelbladt, U. (2000). Specific language impairment in Swedish: The status of verb morphology and word order. Journal of Speech, Language, and Hearing Research,43, 848-864.
Hansson, K., Nettelbladt, U., & Leonard, L. (2003). Indefinite articles and definite forms in Swedish children with specific language impairment. First Language,23, 343-362.
Leonard, L. B., Hansson, K., Nettelbladt, U., & Deevy, P. (2004). Specific language impairment in children: A comparison of English and Swedish. Language acquisition, 12(3-4), 219-246.
Meijer, A. (2011) Basiscursus Zweeds deel 1. Bussum, Nederland: Uitgeverij Coutinho.
Ruhlen, M. (1976). A guide to the languages of the world. Palo Alto, CA: Stanford University Press.
Salameh, E., Nettelbladt,U., & Gullberg, B. (2002). Risk factors for language impairment in Swedish bilingual and monolingual children relative to severity. Acta Paediatrica, 91, 1379-1384.
Voor informatie over de processability theory:
Piennemann, M. (1998). Determining the influence of instruction on L2 speech processing. In G. Kasper (Red.), Classroom research (pp. 40-72). Cambridge, Verenigd Koninkrijk: Cambridge University Press.
Table of Contents
0. Praktische informatie voor taalonderzoek
Mogelijke problemen in het Nederlands als gevolg van transfer
Het Zweeds verschilt in een aantal opzichten van het Nederlands op zodanige wijze dat er problemen kunnen ontstaan op het gebied van fonologie, morfologie, syntaxis, semantiek en pragmatiek als gevolg van transfer. Als u onderstaande problemen constateert bij een jonge leerder van het Nederlands met het Japans als moedertaal, hoeft dat dus niet per se te wijzen op een taalontwikkelingsstoornis.Fonologie
Uitspraak
Het Zweeds kent een muzikaal accent, omdat de beklemtoonde lettergreep niet altijd de hoogste toon heeft.
Morfologie
Lidwoorden
Het Zweeds heeft twee vormen van het onbepaald lidwoord, een voorvoegsel voor het onzijdig zelfstandig naamwoord en een voorvoegsel voor het niet-onzijdig zelfstandig naamwoord. Daarnaast worden er ook twee verschillende bepaalde lidwoorden gebruikt voor niet-onzijdig en onzijdig zelfstandige naamwoorden. In het Nederlands zetten we de lidwoorden voor het zelfstandig naamwoord, maar in het Zweeds verschilt dit voor bepaalde en onbepaalde lidwoorden.
Naamwoorden
Er hoeft geen achtervoegsel te zijn bij naamwoorden in het Zweeds om een meervoud te kunnen vormen. Dit is afhankelijk van het geslacht en de laatste letter van het zelfstandig naamwoord.
Werkwoorden
De werkwoordsvervoeging van het Zweeds kent enkel een tijdsmarkering. Er is geen overeenkomst met het onderwerp.
Syntaxis
Het Zweeds heeft dezelfde woordvolgorde als wij die kennen, namelijk SVO. Normaal gesproken zou een Zweeds kind dus geen moeite met de woordvolgorde in het Nederlands moeten hebben.
Vragenlijst in relatie tot problemen in het Nederlands. Wanneer hier vaak 'ja' op wordt geantwoord, is er mogelijk sprake van negatieve transfer vanuit het Zweeds.
Heeft het kind moeite met de toonhoogte van woorden?
Ontstaan er moeilijkheden bij de complexe werkwoordsvervoeging? Gebruikt het kind enkel tijdsmarkering, maar geen overeenkomst met het onderwerp?
Worden hogergeplaatsten aangesproken met jij in plaats van u?
Mogelijke vragen aan ouders/tolken met betrekking tot specifieke TOS-elementen
Om u behulpzaam te zijn bij het onderscheiden van geproduceerde fouten in het Nederlands naar mogelijke oorzaak, is onderstaande vragenlijst per talig kenmerk (fonologie, morfologie, syntaxis en pragmatiek) opgesteld. Voorzichtigheid bij de analyse van taalproducties aan de hand van deze vragenlijst is geboden; de vragen vormen slechts een leidraad om NT2-fouten globaal van TOS-fouten te onderscheiden. De verkregen informatie dient als eerste indicatie voor de aanwezigheid van een taalontwikkelingsstoornis.Vragenlijst in relatie tot problemen in het Zweeds. Wanneer hier vaak 'ja' op wordt geantwoord, is er mogelijk sprake van een TOS.
Heeft het kind in het Zweeds moeite met het produceren van bepaalde klanken, terwijl dat niet meer verwacht wordt op zijn of haar leeftijd?
Heeft het kind problemen met het vervoegen van werkwoorden? Vindt het kind het gebruik van hulpwerkwoorden in de tegenwoordige tijd lastig?
Heeft het kind moeite met het kiezen van een werkwoord dat de plaatsing van een object weergeeft?
Worden lidwoorden niet op de correcte manier gebruikt of zelfs vergeten?
Heeft het kind moeite met woordvolgorde in het Zweeds?
Maakt het kind weinig oogcontact, is het verminderd wederkerig en heeft het zwakke communicatieve vaardigheden in de moedertaal?
1. Algemene informatie over het Zweeds
Het Zweeds behoort samen met het Deens, Noors, Faerӧers en IJslands tot de Noord-Germaanse talen, die een vertakking zijn van de Indo-Europese taalfamilie. Het Zweeds wordt in Zweden gesproken, maar het is ook één van de twee officiële talen in Finland. Op de eilandengroep Åland, gelegen tussen Zweden en Finland, is het Zweeds de enige officiële taal - hoewel het een provincie van Finland is.
Het officiële Zweeds wordt het Rijkszweeds (Zweeds: rikssvenska) genoemd. Naast het Rijkszweeds worden ook verschillende dialecten gesproken. Er heeft tussen 1998 en 2003 een grootschalig taalkundig onderzoek plaatsgevonden om de dialectvariatie in Zweden en de Zweeds sprekende delen van Finland in kaart te brengen. Volgens dit onderzoek zijn er 29 dialecten in Zweden, die te verdelen zijn in 4 dialectstreken: Gotland (regio zuid-Zweden), Svealand (regio midden-Zweden), Norrland (regio noord-Zweden) en Finland (Finland en de eilandengroep Åland). Het Zweeds zoals het gesproken wordt in Finland, wordt ook het finlandssvenska (Finland-Zweeds) genoemd. Het Zweeds in die regio bevat veel Finse leenwoorden.
De Zweedse taal wordt geschreven met het Latijnse alfabet, maar na de letter 'z' heeft het een toevoeging van drie tekens: å, ä en ö. Deze worden respectievelijk uitgesproken als [ɔ:], [ɛ:] en [ø]. De geschreven taal toont redelijk veel overeenkomsten met de gesproken taal wat betreft de klanktekenkoppeling. Er zijn echter enkele opvallende uitzonderingen: de letter 'v' wordt uitgesproken als een Nederlandse 'w' en de letter 'o' kan op verschillende manieren worden uitgesproken. In de meeste gevallen wordt deze uitgesproken als [u], maar soms ook als [ɔ].
2. Taalspecifieke kenmerken van het Zweeds
Fonologie
Kenmerkend voor het Zweeds is het zogenaamde muzikale accent. Dit komt omdat in het Zweeds – in tegenstelling tot het Nederlands – de beklemtoonde lettergreep in een woord niet altijd de hoogste toon heeft. Het Zweedse alfabet kent negen klinkers en twintig medeklinkers, maar de letters 'q', 'w' en 'z' komen eigenlijk enkel nog voor in eigennamen en enkele leenwoorden. De 'y' heeft een klank die in het Nederlands niet bestaat, deze ligt tussen de Nederlandse [i:] en [y] in.
Morfologie
Het Zweeds heeft, net als het Nederlands, twee geslachten voor zelfstandig naamwoorden. Namelijk niet-onzijdige zelfstandig naamwoorden (in het Nederlands ‘de’-woorden) en onzijdige zelfstandig naamwoorden (in het Nederlands ‘het'-woorden). Voor beide geslachten heeft het Nederlands één onbepaald lidwoord, namelijk ‘een’. Het Zweeds daarentegen heeft twee vormen van het onbepaald lidwoord, namelijk het voorvoegsel en- voor niet-onzijdige zelfstandig naamwoorden en het voorvoegsel ett- voor onzijdige zelfstandig naamwoorden. Het bepaald lidwoord wordt weergegeven met het achtervoegsel -en voor niet-onzijdige zelfstandig naamwoorden en met het achtervoegsel -et voor onzijdige zelfstandig naamwoorden.
Het vormen van meervoud is eveneens gekoppeld aan het geslacht van het zelfstandig naamwoord. Voor de niet-onzijdige zelfstandige naamwoorden (de Zweedse ‘en'-woorden) wordt het meervoud gevormd door het achtervoegsel -or, -ar, -er of geen achtervoegsel. Voor onzijdige zelfstandig naamwoorden (de Zweeds ‘ett-woorden’) die eindigen op een klinker, wordt het meervoud gevormd door het achtervoegsel –n. Indien het zelfstandig naamwoord eindigt op een medeklinker, dan is er geen achtervoegsel.
De werkwoordsvervoeging in het Zweeds is minder complex dan in menig andere taal. In de werkwoordsvervoeging is namelijk enkel een tijdsmarkering terug te vinden, maar geen overeenkomst met het onderwerp. In de tegenwoordige tijd wordt het achtervoegsel -r, of in enkele gevallen -er aan het werkwoord toegevoegd. Dit geldt voor alle onderwerpsvormen. Er wordt geen onderscheid gemaakt tussen de 1e, 2e of 3e persoon wat betreft achtervoegsel. In de verleden tijd wordt het achtervoegsel -de, of in enkele gevallen -te aan het werkwoord toegevoegd. Dit geldt wederom voor alle onderwerpsvormen. Er is ook een groep onregelmatige werkwoorden: deze groep heeft een vervoeging die niet tot regels te herleiden is, maar wel weer voor alle onderwerpsvormen gelijk is.
Syntaxis
De woordvolgorde in het Zweeds is gelijk aan die van het Nederlands. Een hoofdzin wordt in het Zweeds begonnen met het onderwerp, gevolgd door het werkwoord en daarna het object van de zin. Als een zin niet met het onderwerp begint, dan staat het onderwerp achter de persoonsvorm. Dit inversiepatroon is gelijk aan dat van het Nederlands.
Tot de jaren ’60 van de vorige eeuw golden er in Zweden zeer strikte regels over de ‘u-vorm’ waarin een hogergeplaatste moest worden aangesproken. De aanspreek titel bestond uit meneer of mevrouw, gevolgd door de maatschappelijke titel en de achternaam. Maar in 1967 is daar plots verandering in gekomen, toen de directeur-generaal Volksgezondheid de mensen opriep om elkaar met de voornamen en jij aan te spreken. Vanaf dat moment is het tutoyeren heel gebruikelijk geworden en worden ook hogergeplaatsten met jij aangesproken. Dit zal niet tot hele grote problemen leiden in het Nederlands, maar het is goed om te weten dat het tutoyeren van iemand niet respectloos bedoeld is.
Samengestelde zinnen
Bij een nevenschikking, waarbij twee hoofdzinnen worden verbonden, worden in het Zweeds ook nevenschikkende voegwoorden gebruikt. Veelvoorkomende voegwoorden zijn: och/samt (en), eller (of), men (maar) en för (want).
Bij een onderschikking worden één of meerdere bijzinnen verbonden met een hoofdzin. De hoofdzin is dan onafhankelijk en de bijzin afhankelijk, want deze kan niet los staan van de hoofdzin. In het Zweeds worden hiervoor, net als in het Nederlands, onderschikkende voegwoorden gebruikt. De woordvolgorde van de bijzin is SV. Een ontkenning (‘inte’) komt na de persoonsvorm, maar voor het hele werkwoord. Voorbeelden van onderschikkende voegwoorden zijn ‘när’(wanneer), ‘medan’ (terwijl), ‘även om’ (hoewel) en ‘eftersom’ (omdat). Bij relatieve bijzinnen wordt het betrekkelijke voornaamwoord ‘som’ (dat/wie/welke) gebruikt. Dit voornaamwoord kan niet veranderen op basis van aantal, case en of het een persoon of een ding is. Vilken kan ook als betrekkelijk voornaamwoorden worden gebruikt, en is wel variabel. Dit kan gebruikt worden bij verwijzing naar ene hele zin, maar wordt alleen bij formeel taalgebruik toegepast.
3. Verwervingsfases
In de wetenschappelijke literatuur zijn geen bijzonderheden gevonden met betrekking tot de eerste taalverwerving in het Zweeds. Het is dus aan te nemen dat de taalverwerving verloopt zoals aangegeven in het verwervingsschema.
4. Specifieke taalstoornissen in het Zweeds
Het is bekend dat kinderen met een taalstoornis langer infinitieven blijven gebruiken dan normaal ontwikkelende kinderen (extended optional infinitve). Zij gebruiken dan een infinitief terwijl het werkwoord eigenlijk vervoegd en in overeenstemming gebracht zou moeten worden met het onderwerp en/of de tijd. In het Zweeds is er geen overeenstemming tussen het onderwerp in de zin en het werkwoord, er is enkel tijdsmarkering. Uit onderzoek van Hansson en Nettelbladt (2000) bleek dat Zweedse kinderen met een taalstoornis, in vergelijking tot normaal ontwikkelende kinderen met een gelijke MLU (mean length of utterance), meer fouten maken in het gebruik van hulpwerkwoorden in de tegenwoordige tijd en werkwoordsvervoegingen in de regelmatige verleden tijd. Fouten gerelateerd aan woordvolgorde kwamen eveneens vaker voor bij kinderen met een taalstoornis dan bij de normaal ontwikkelende kinderen.
Wat betreft de werkwoordsvervoeging van de tegenwoordige tijd en de onregelmatige verleden tijd, was er geen verschil tussen kinderen met een taalstoornis en normaal ontwikkelende kinderen met een gelijke MLU. Het onderzoek van Hansson en Leonard (2003) sloot hier nauw op aan. Zij hadden namelijk in hun onderzoek een meer gedetailleerde analyse gedaan van werkwoordsmorfologie van Zweedse kinderen met een taalstoornis. Uit hun bevindingen bleek dat Zweedse kinderen met een taalstoornis, in vergelijking tot normaal ontwikkelende kinderen met een gelijke MLU, een grotere achterstand vertonen op het gebruik van regelmatige verleden tijdsvormen, dan op vervoegingen in de tegenwoordige tijd. Volgens de processability theory (Piennemann, 1998) is het zo dat in het taalverwervingsproces van kinderen zij eerst leren om een werkwoord in de juiste tijd te vervoegen, en dat zij daarna leren dat het werkwoord na het onderwerp in de zin moet worden geplaatst (V2 of Verb Second). In het onderzoek van Håkansson (2001) werd deze theorie getoetst samen met de aanname dat deze volgorde voor alle kinderen geldt. In het onderzoek werd een onderscheid gemaakt tussen drie groepen kinderen, namelijk: kinderen die het Zweeds als eerste taal leren, kinderen die het Zweeds als tweede taal leren en kinderen met een taalstoornis. Zij vonden in hun onderzoek geen bewijs voor de verwervingsvolgorde ‘eerst tijd dan plaats’ en concluderen dat het in het Zweeds mogelijk is om deze twee processen los van elkaar te verwerven. Deze bevinding geldt voor alle groepen die in het onderzoek onderzocht zijn. Bij nadere bestudering van de groep resultaten komen zij tot de conclusie dat kinderen die het Zweeds als eerste taal leren beter scoren dan de andere twee groepen op het correct vervoegen en plaatsen van het werkwoord. De groep kinderen die het Zweeds als tweede taal leert en de groep kinderen met een taalstoornis scoren gelijk.
Een onderzoek van Hansson en Bruce (2002) richtte zich op de werkwoorden die een plaatsing aangeven (in het Nederlands werkwoorden als: zetten, leggen, zitten, hangen). Zij komen tot de conclusie dat Zweedse kinderen met een taalstoornis in een productietaak meer moeite hebben met het kiezen van het juiste werkwoord om een plaatsing van een object aan te geven, dan normaal ontwikkelende kinderen met eenzelfde taalleeftijd. Dit werd niet beter naarmate zij ouder werden. Wat betreft woordbegripstaken is er geen verschil gevonden tussen kinderen met een taalstoornis en normaal ontwikkelende kinderen met eenzelfde taalleeftijd.
Een ander interessant onderzoek met betrekking tot het Zweeds en kinderen met een taalstoornis is van Hansson, Nettelbladt en Leonard (2003). Zij hebben onderzoek gedaan naar het gebruik van onbepaalde lidwoorden en het suffix van bepaalde lidwoorden bij Zweedse kinderen met een taalstoornis en normaal ontwikkelende kinderen met eenzelfde taalleeftijd. In het Zweeds is het onbepaalde lidwoord niet beklemtoond en kort, net als de lidwoorden in het Engels en Nederlands. Het bepaalde lidwoord is een achtervoegsel van het zelfstandig naamwoord. Uit de resultaten van het onderzoek blijkt dat kinderen met een taalstoornis het achtervoegsel van het bepaalde lidwoord even goed gebruiken als normaal ontwikkelde kinderen met eenzelfde taalleeftijd, maar wat betreft de onbepaalde lidwoorden wordt er wel een opvallend verschil gevonden: deze worden namelijk vaker weggelaten door kinderen met een taalstoornis. De verklaring die zij hiervoor geven is de prosodie van deze lidwoorden. Bij het suffix van het bepaalde lidwoord wordt een beklemtoonde klank gevold door een niet beklemtoonde klank, terwijl dat bij het onbepaalde lidwoord andersom is. Volgens de onderzoekers is dat de reden voor het feit dat het toepassen van het bepaalde lidwoord beter lukt bij kinderen met een taalstoornis dan het onbepaalde lidwoord, en spelen grammaticale factoren hierbij geen rol.
Uit Zweeds onderzoek blijkt verder dat geslacht en mogelijk ook erfelijke factoren in interactie met omgevingsfactoren een risicofactor zijn voor een taalstoornis (Salameh, Nettelbladt & Gullberg, 2002). Aan dit onderzoek hebben 698 eentalige en tweetalige kinderen deelgenomen en de onderzoekers concluderen onder andere dat een taalstoornis vaker voorkomt bij jongens dan bij meisjes.
Voorbeelduitingen
Onderstaand twee voorbeelden van zinsvolgorde-fouten die zweedsprekende kinderen met een TOS maakten (gemiddelde leeftijd tussen de 4;3 en 5;7).
In 9 en 11 de doeluitingen, in 10 en 12 de TOS-uitingen.
Bron: Leonard, Hansson, Nettelbladt en Deevy (2004)
5. Slotopmerkingen en literatuurverwijzingen
Het Zweeds kent, anders dan het Nederlands, twee onbepaalde lidwoorden en deze worden vóór het zelfstandig naamwoord geplaatst (een prefix). De twee bepaalde lidwoorden daarentegen worden als suffix achter het zelfstandig naamwoord geplaatst. Het vormen van meervoud kan in het Zweeds zonder dat er een achtervoegsel of verandering in het zelfstandig naamwoord plaatsvindt. Dit is in het Nederlands niet mogelijk. In de Zweedse werkwoordsvervoeging is geen overkomst met het onderwerp terug te zien, maar alleen tijdsmarkering. Er zijn veel Zweedse onderzoeken op het gebied van taalstoornissen. De bovengenoemde onderzoeken komen tot de volgende conclusies met betrekking tot Zweedse kinderen met een taalstoornis:
Alle onderzoeken zijn uitgevoerd in vergelijking met normaal ontwikkelende kinderen die een vergelijkbare taalleeftijd hebben.
Voor wie meer wil lezen over het Zweeds:
Voor informatie over de processability theory: